u, nu!

SPEELTUIN

Eigenlijk was hij al te groot om de speeltuin in te rennen, maar hij deed het toch.

Met het beugelslot maakte ik de fietsen aan elkaar en ik zei: Ga maar vast.

Hij trok zijn spijkerbroek op en rende langs het gebouw, langs de stoeltjes van het terras, een paar plassen regenwater, zijn zusje volgde.

Ze is vier jaar jonger, ze rent typisch, met gestrekte armen.

Toen ze klein waren kwam ik hier iedere week, eerst alleen met die jongen – beginnen in de zandbak, langzaam opwerken naar de speeltoestellen: de glijbaan, de schommels, de duikelstang, de kabelbaan als laatste.

Later met zijn kleine zusje erbij, op een kleedje in de zandbak, met een schepje en een emmertje en haar broer ergens verderop, als hij dorst had kwam hij wel naar me toe. Of honger.

Dan vroeg hij geld voor iets te drinken of een ijsje en als hij zijn brood opgegeten had en mijn flesje drinken was leeg dan gaf ik hem een euro en mocht hij wat uitkiezen.

Heel lang kon hij naar het bord met de plaatjes van de ijsjes boven de vriezer kijken. Uiteindelijk wees hij er eentje aan, hij wist welke prijzen bij de ijsjes hoorden. Wisselgeld, een paar muntjes. Het lospeuteren van het papiertje boven de prullenbak. Teruglopen en alvast eten. Naast me op de bielzen rand van de zandbak zat hij met zijn schoenen in het zand zijn ijsje te eten, geen oog voor zijn zusje.

Ik heb een litteken op mijn knie van een speeltoestel, zo’n ronde bak waar je in kunt zitten die om een vaststaande paal draait. Je kunt afzetten tegen een ring. Door die ring zaten dikke bouten, daar zat ik met mijn knie tegenaan en mijn broer zat ook in de bak en ik zei: Niet draaien.

Hij draaide toch. De bout vrat zich in mijn knie. Het moest gehecht.

Iedere keer als ik in de speeltuin was dacht ik aan dat molentje, aan die bout, aan de hechtingen.

Mijn zoon is bedachtzaam en voorzichtig, hij viel nooit. Mijn dochter valt altijd, ze is niet bang. Ik wist: Als we naar de speeltuin gaan zal ze vallen.

Ik herkende de manier waarop ze huilt, nog steeds.

Niet het schreeuwen van andere kinderen, die overslaande stem. Mijn dochter huilde in stilte, en toch hoorde en herkende ik haar meteen.

Dan kwam ze aanlopen, zonder haast, dan keek ze naar haar elleboog, knie, haar handen. Enkel twee dikke tranen op haar wangen. Die veegde ik weg. Ik keek naar haar elleboog, knie of naar haar handen.

Gaat het?

Ze knikte.

Moet ik de ziekenwagen bellen?

Ze schudde haar hoofd.

Haar broer keek toe met een glimlach om zijn mond, vanaf een bankje of een stoel, soms met cola. Toen hij groot werd kwam hij hier voor een blikje cola.

Die laatste keer, toen hij rende, een slungel van al bijna elf, zei hij dat er iets nieuws in de speeltuin was.

Een nieuw ding.

Het enthousiasme in zijn stem, een speeltoestel op zich.

Jan van Mersbergen