in progress

HEBBELIJK, bn. bw. (-er, -st), zich goed gedragende, welvoeglijk, fatsoenlijkwees toch hebbelijk; zich hebbelijk gedragen;

— overeenkomstig iemands aanleg, een uitvloeisel zijnde van zijn wezeneigen het liegen is hem hebbelijk;
— bw. (Zuidn.) op hebbelijke wijze: zich hebbelijk gedragen; ge moet u hebbelijker kleeden;
— (Zuidn.) zeer. geweldig hij was hebbelijk gram; hij kan hebbelijk schreeuwen.
HEBBELIJKHEID, v. (Zuidn.) fatsoen, deftigheid: hij past op zijne hebbelijkheid;
(w. g.) geschiktheid, bedrevenheid: men moet er de hebbelijkheid van bezitten;
—, (…heden), aanwensel, gewoonte kuchen is eene hebbelijkheid van hem; hij heeft allerlei hebbelijkheden.

Van Dale 1898